Dorpsdichter van Doel | Brief in een fles (aanstelling) |
|
Beeldhouwer Paul De Wachter overhandigde hem een metalen sculptuur, die een vogel voorstelt. Deze “mensvogel” kan als symbool van de wederopstanding van Doel worden begrepen. Hoe komt een Vlaamse Brabander in Doel terecht? Mark Meekers heeft twintig jaar in het Antwerpse Schipperkwartier gewoond, in de Verbrande Entrepotstraat, die nog een echte volksstraat was en nog geen bon chic bon genre-status bezat. Geregeld trok hij met de jeugdbeweging richting Doel om krabben te vangen onder de aanlegsteiger van de Flandria. ’s Avonds werden er krabbenkoersen gehouden en werden deze “kreeften van den arme” gekookt en opgepeuzeld. Deze jeugdherinneringen liggen nu bijna in puin. In 2006 publiceerde hij bij het Eugeen van Mieghem Museum de bundel “Orpheus in de haven”, waarin de Antwerpse kunstschilder in de havenbuurt op zoek gaat naar zijn gestorven geliefde, naar al het mooie dat verdwenen is. Meekers voelt dit dorpsdichterschap aan als een vervolg, is zowat “Orpheus in Doel”, die in de onderwereld terecht komt en met zijn gezang nog wat geliefde schoonheid tracht te redden.
Het is niet de eerste prijs die Mark Meekers in de wacht sleept, maar de 120-ste bekroning in Vlaanderen en Nederland, met daarbij precies zestig eerste prijzen. Hij bevestigt hiermee wat F. Heymans schreef in “Het Goud van de Vlaamse Letteren: “Mark Meekers en Hugo Claus zijn de twee meest bekroonde auteurs”. Maar deze Poëzieprijs van Doel ligt hem wel erg na aan het hart omdat het om zoveel meer draait: om kleinschaligheid tegen globalisatie, dorpscultuur in contact met de natuur versus aliënatie van de grootstad, zachte waarden en menselijkheid tegen spijkerhard kapitalisme, dat zijn vernielzucht maskeert met tewerkstellingsmotieven. Wie neemt politici nog ernstig, die zich de baard laten aanbinden en glimlachen als een vrouw die net bevallen is omdat het hen zoveel moeite kost om de leuke, humoristische jongen uit te hangen. Ook in Doel stonden de teeveetjes te blozen. De kleine mensen luisteren er met gespitste oren of de bulldozers met de instemming van deze lolbroeken nog niet komen aanrazen. De afbraakfirma moet zich haasten om poen te scheppen, want het zou wel eens kunnen dat Doel leefbaar blijkt… En al beveelt het parlement de executie, dan nog is niets zeker. Er is heel wat meer uitgesteld en geblunderd. Het slijk van het vers gegraven Deurganckdok diende om andere nooit gebruikte dokken te vullen. De aanleg van het Saeftinghedok is niet voor morgen. Er zijn hier dus al eerder kalveren verdronken in hun zelf gegraven putten. Mark Meekers kan zich als democraat zich niet akkoord verklaren met het ausradieren van deze leefgemeenschap en dit waardevol historisch patrimonium. Mocht Doel platgewalst worden dan zou men toch enkele hoogstandjes behouden. Wat met het unieke dambordpatroon van dit dorp? Zie je ze al staan: de molen, het Hooghuis waarin het gegiechel van Isabella Brandt (Rubens weldadige echtgenote, met sinteloogjes) nog naklinkt, de kerktoren en natuurlijk het kerkhof? Het is als een zinnetje uit een stuk van Shakespeare lichten en zeggen dat is hem nu, of als een gat in een haute couturejurk knippen: daarmee is alles naar de “knoppen”. Ook een monument moet in zijn context gesitueerd worden. De inwoners van Doel – en niet de havenmandarijnen, die geen schoentip aan polderslijk vuil maken- zijn de enigen die de vraag kunnen beantwoorden of dit dorp leefbaar is. In een karikatuur van een democratie, een democratuur, wordt de beslissing echter genomen door degenen die de touwtjes van de Antwerpse “poesjenellenkelder” in handen hebben. Geen oorlog, geen watervloed, heeft Doel van de kaart kunnen spoelen. Zullen enkele culturele en sociaal onaangepaste Beotiërs daar wel in slagen? Het wordt schrijven tegen de waanzin in. Mark Meekers wil niet de dichter zijn die met zijn verzen Doel de palliatieve zorgen toedient. “Lang LEVE Doel!” |

